Archief van
Categorie: Persberichten

Gezicht achter de voordeur: het Damesleesmuseum

Gezicht achter de voordeur: het Damesleesmuseum

Voor dit artikel had ik een leuk gesprek met Areke Plesman (presidente van het Bestuur) en Miriam van Zuthpen (Bestuurslid), beiden als vrijwilliger werkzaam in deze bijzondere bibliotheek.

Het Damesleesmuseum is één van de grootste particuliere bibliotheken in Nederland en werd opgericht in 1894. In 1893 richtten twaalf jonge vrouwen, op initiatief van de gezusters Bienfait en “ter bevordering van de intellectuele ontwikkeling der Haagse dames”, de leeskring “mei 1893” op.

Toen er meer belangstelling bleek breidden ze de kring uit tot een leesmuseum. Het was een chique tegenhanger van de “Maatschappij tot Nut van ’t Algemene”, die de verheffing van de gewone man wilde bevorderen. Dames waren niet welkom in de herenbibliotheken. Het leesmuseum, in die tijd een ander woord voor bibliotheek, voorzag dan ook in een behoefte. Sinds 1950 is het Damesleesmuseum gevestigd aan het Nassauplein nummer 15.

Mevrouw Plesman meldde dat er nu ca. 550 leden zijn en sinds 1974 ook mannen lid kunnen worden. Leve de emancipatie! Dat zijn er echter nog maar weinig en meestal zijn het de echtgenoten van onze vrouwelijke leden. Dat viel weer even tegen… We hebben ruim 33.000 boeken in huis en de collectie bestaat uit Nederlandse, Franse, Engelse en Duitse boeken en wordt maandelijks uitgebreid met een selectie van ca. 25 nieuw verschenen boeken. Tien Nederlandse, tien Engelse, twee Franse en twee Duitse titels. Voornamelijk fictie maar ook geschiedenis, biografieën, natuur- en reisboeken.

Elk boek komt eerst “op zicht” en wordt door twee dames van het leescomité gelezen. Wanneer ze het oneens zijn en er samen niet uitkomen wordt het boek “herkeurd” door een derde persoon. Pas daarna wordt het definitief aangeschaft. Het kan dus gebeuren dat een heel populair boek van een bekende schrijver niet wordt aangekocht.

We zijn een echt “museum”, vertelde mevrouw van Zutphen, want er worden nauwelijks boeken weggedaan. In ons archief vind je dan ook nog veel oude uitgaven en eerste drukken. Ons leesmuseum geeft een goed beeld van de geschiedenis van de emancipatie van de vrouw. Wat is er in de loop der jaren aangeschaft? Waar lagen hun interesses? Nadat een boek is goedgekeurd wordt het aangeschaft, krijgt het een barcode en wordt het geplastificeerd. We krijgen geen subsidie dus alle werkzaamheden worden door vrijwilligers (49 dames en 1 man!) uitgevoerd. Ze moeten niet alleen van lezen houden maar ook wel om kunnen gaan met de computer, vertelde mevrouw Plesman. De registratie van het uitlenen en retourneren gebeurt, hoe kan het ook anders, digitaal. Wij stellen dus een grens van 80 jaar voor de vrijwilligers. Naast deze werkzaamheden worden de bezoekers ook onthaald op een kopje thee of koffie.

Van ieder boek schaffen we één exemplaar aan en alle nieuwe boeken liggen, zodra ze binnenkomen, voor de leden ter inzage op de tafel. Ze kunnen aangeven naar welk boek hun belangstelling/voorkeur uitgaat en krijgen dan een nummer. Ze kunnen het boek vervolgens lenen wanneer ze aan de beurt zijn. Er ligt ook een “wensenschrift” op tafel waarin de leden kunnen aangeven welk boek zij graag zien aangeschaft. Ook daar wordt rekening mee gehouden.

We hebben ook een sociale functie, vertelde mevrouw Plesman. Onze leestafel, met Nederlandse en buitenlandse tijdschriften, is erg populair. Op zaterdagen komen veel dames hier een tijdschrift lezen en gezellig kletsen met de andere dames onder het genot van een kopje koffie. Onze leden, die lid moeten zijn van de Vereniging Damesleesmuseum, komen uit de buurt maar ook uit de regio zoals Voorburg en Wassenaar. Wij zijn zeker geen bibliotheek voor “Haagse Dametjes “(wat veelal gedacht wordt) maar voor gewone mensen die van lezen houden! De openingstijden zijn: donderdag, vrijdag en zaterdag van 10.00 uur – 16.30 uur.

Heeft u belangstelling? Loop dan op één van deze dagen eens binnen op het Nassauplein nummer 15. Aanmelden kan via een inschrijfformulier dat verkrijgbaar is in het leesmuseum. Introductie door twee andere leden is gewenst maar kan ook in een gesprek met één van de bestuursleden plaatsvinden.

Josephine de Vijlder (CJP 11 april 2017)

Uniek Damesleesmuseum in Nederlandse Hofstad ‘s-Gravenhage

Uniek Damesleesmuseum in Nederlandse Hofstad ‘s-Gravenhage

©2001 Yvonne van der Heijden – voor de Financieel-Economische Tijd

 

Door lezen wijder horizont

Een damesleesmuseum? In de 21e eeuw? Jawel hoor, zoiets blijkt nog te bestaan. In de Nederlandse Hofstad ’s-Gravenhage is dit meer dan honderd jaar oude monument zelfs nog springlevend. “Ik kom hier graag vanwege de ambiance en de prachtige collectie boeken”, zegt mevrouw mr. E.S. Kalker die al veertig jaar lid is.

Het Haags Damesleesmuseum – opgezet in 1894 door dames uit de ‘gegoede stand’ – is enig in zijn soort in Nederland. Het is gehuisvest in een statig herenhuis aan het Nassauplein in Den Haag. In de hoge kamers met fraaie bewerkte plafonds staan tientallen meters boekenkast gevuld met een uitzonderlijke verzameling boeken. Ze staan er niet om naar te kijken. Leden kunnen de boeken, en ook tijdschriften, lenen. In hedendaagse taal zou het leesmuseum namelijk gewoon ‘bibliotheek’ heten.

“In de negentiende eeuw stond museum nog voor ‘een plaats waar de Muzen gediend worden, te weten eene kamer, een gebouw, waarin de wetenschap gediend wordt, een academie, een bibliotheek, een studeervertrek’”, citeert Anne Marie Crommelin uit het jubileumboek dat enkele jaren geleden bij het eeuwfeest is uitgegeven.

Zij is de presidente van de vereniging het Damesleesmuseum die ongeveer 550 leden telt, onder wie inmiddels vijftig mannen. “Sinds 1974 laten we ook heren toe. De sociëteit “De Witte” is in die tijd geëmancipeerd naar dames en wij naar heren. Gezien de maatschappelijke ontwikkeling naar gelijkberechtiging is dat een logische stap geweest.”

In de tweede helft van de negentiende eeuw toen op verschillende plaatsen in Europa Damesleesmusea ontstonden, was van gelijke rechten voor mannen en vrouwen nog lang geen sprake. In de standenmaatschappij maakten mannen de dienst uit. Vrouwen hadden nauwelijks toegang tot hoger onderwijs en pas in 1919 kregen vrouwen in Nederland kiesrecht. In België moesten vrouwen voor een volledig stemrecht zelfs nog wachten tot 1948.

Mevrouw Crommelin: “Vrouwen konden ook niet naar de bibliotheek en ze werden uitgesloten van de leesgezelschappen. Die waren exclusief voor heren. Dames waren aan huis gebonden en vaak sloeg dan de verveling toe. Louis Couperus heeft dat bijvoorbeeld in zijn roman Eline Vere bijzonder treffend beschreven.”

Van lieverlee kwamen meer en meer vrouwen in verzet tegen hun saaie en weinig nuttige bestaan. Net als de mannen wilden ze – in het verlengde van de achttiende-eeuwse idealen van de Verlichting – zichzelf ontwikkelen. Ze richtten onder meer scholen op speciaal voor vrouwen. Er ontstonden ook vrouwenleesgezelschappen, als eerste in 1867 in de Zweedse hoofdstad Stockholm. In Nederland had Amsterdam tien jaar later de primeur. Den Haag, Utrecht en Rotterdam volgden. Alleen het Haags leesmuseum wist uiteindelijk stand te houden.

Emancipatoir

“Het opzetten van een Damesleesmuseum was onder meer een emancipatoire activiteit. Er bleek een enorme honger naar kennis te zijn. Het doel was, en is nog steeds, voor de leden het lezen van boeken en tijdschriften mogelijk te maken. Het motto van onze vereniging “Door lezen wijder horizont” vat de doelstelling heel goed samen”. Het was wel een deftig instituut. “Vrouwen uit de lagere standen moesten werken voor de kost en hadden geen tijd om te lezen”, stelt de presidente.

Mevrouw Crommelin (61) vergast haar bezoek deze zaterdagochtend op een enthousiaste rondleiding over de onderste twee verdiepingen van het gebouw. “De

bovenste etage hebben we verhuurd. De huur vormt een deel van onze inkomsten. Mede daardoor kunnen we onszelf bedruipen. Wij hebben overigens geen betaald personeel. Het zijn allemaal vrijwilligers die elke week op de drie openingsdagen zorgen voor de goede gang van zaken.”

Elke kamer in het pand heeft een naam en is ingericht met huiselijke accenten. Er is een Duits Kabinet waar de Duitse werken staan. In de Nieuwe Boekerij beneden staan twee comfortabele stoelen onder een ouderwetse schemerlamp. Daar staat ook een tafeltje met een telefoon voor leden die de trap niet op kunnen. “Ze kunnen telefonisch een van de dames vrijwilligsters om assistentie vragen. Op de eerste etage is het hart van het leesmuseum.”

De catalogus van de bibliotheek bevat meer dan 33.000 titels, met werk van onder meer de Vlaamse auteurs Willem Elschot, Hubert Lampo, Louis Paul Boon, Christine Hemmerichs, Paul de Wispelaere en Monika van Paemel. Naast literatuur in het Nederlands, Frans, Duits en Engels, zijn reisverslagen, biografieën en historische werken ruim vertegenwoordigd in de collectie die in de afgelopen 107 jaar is opgebouwd.

“In principe kopen we de boeken in de oorspronkelijke taal. Engels wordt het meest gelezen. Overigens is het op het ogenblik geen sinecure Franstalige werken aan te schaffen want de boekhandels hebben daarvan maar weinig in voorraad”, zegt de presidente zorgelijk.

Alle boeken die de bibliotheek aanschaft zijn vooraf gelezen door twee dames van het ‘leescomité’ dat negentien leden telt. Zij schrijven een korte recensie. Alleen als beiden positief oordelen wordt het boek gekocht. Alle ‘kritiekjes’, ook de negatieve, zijn bewaard gebleven.

“Ieder lid kan in het ‘wensenschrift’ voorstellen een boek aan te schaffen. Het criterium is of het door de leden gelezen zal worden. Het heeft geen zin boeken in de kast te zetten waar de leden geen belangstelling voor hebben.”

In de ruimte met de antiquarische boeken haalt mevrouw Crommelin voorzichtig een boek uit de kast. “De alleroudste boeken zijn al in 1894 gekocht. Die worden ook uitgeleend. Wij gaan ervan uit dat onze leden de boeken met de nodige zorg behandelen. Er zijn prachtige uitgaven bij, zoals deze tweede druk van ‘Psyche’ dat de Haagse schrijver Louis Couperus in 1898 schreef. Dit museum is eigenlijk een paradijs voor literatuurwetenschappers, maar in die zin wordt er maar weinig gebruik van gemaakt.”

Griepkast

Boven staat weggedrukt tegen een zijmuurtje de ‘griepkast’. Ze bevat boeken die bij gebrek aan literaire waarde de normale collectie kennelijk onwaardig zijn: detectives en spionageromans. “Het is niet te zware kost. Boekjes die je wilt lezen als je grieperig bent of als je je niet lekker voelt. Vandaar griep-kast.“

Vooral op zaterdag bruist het in de bibliotheek van activiteit. Leden lopen in en uit. Hartelijke begroetingen gaan over en weer. “Goedemorgen, wat leuk jullie te zien!” Bedachtzaam wegen mensen voor de boekenrekken hun keuze af. De boeken die ze meenemen, noteren ze zelf in het uitleenregister. Hier staan geen zoemende computers. De catalogus bestaat nog uit ouderwetse kaartenbakken. Alles wordt handmatig bijgehouden. Het draagt allemaal bij tot de weldadige rust die hier heerst.

Maar verandering hangt in de lucht. “Wij groeien langzaam toe naar het gebruik van computers. Toen ik twee jaar geleden aantrad werden de notulen nog met de hand geschreven in schoolschriften. We hebben ze nog allemaal vanaf mei 1894. Inmiddels worden ze getypt. De financiële administratie is inmiddels geautomatiseerd. Maar het uitlenen via de computer organiseren, zal nog wel een tijdje duren. De praktijk bij andere bibliotheken leert dat zo’n project vraagt om een goede begeleiding en dus tijd kost”,

verwoordt de energieke presidente voorzichtig het bezwaar van een te voortvarende professionalisering.

Voor velen is het lidmaatschap van het Damesleesmuseum dat 75 gulden per jaar kost en 100 gulden voor een echtpaar, een familietraditie. Moeder is lid en die brengt op een gegeven moment haar dochter mee, zoals haar moeder dat eerder deed. Zo verging het vertaalster Tonta Rosenburg Polak (52). “Mijn moeder heeft me een keer lid gemaakt als cadeau. De intimiteit van de bibliotheek bevalt me en natuurlijk de kopjes koffie met koekjes. In de wintermaanden kom ik hier vaak gezellig tijdschriften lezen. Bovendien, en dit klinkt waarschijnlijk erg pretentieus, ben ik Engels opgevoed en heb ik niets met de gemiddelde Nederlandse smaak. In dit leesmuseum kom ik wel aan mijn trekken.”

In de sfeervol verlichte salon staan zitjes om te lezen of te praten. “Onze leden vinden het gezellig elkaar te zien. Ze gebruiken het leesmuseum als sociëteit.” De meeste ‘drukte’ heerst rond de tijdschriftentafel. Daar ligt een bonte verzameling van serieuze en populaire bladen. Opiniebladen als Vrij Nederland, Elsevier en Paris Match delen de tafel met Vorsten en Onze Taal.

Herhaaldelijk klinkt de vraag: “Mevrouw, wilt u een kopje koffie?” Het is gratis en wordt de leden ingeschonken door de vrijwilligsters die in veel gevallen al tientallen jaren lid zijn en een groot aantal leden bij hun naam kennen.

Een van hen is de 72-jarige mevrouw Kalker die in 1961 door een vriendin werd geïntroduceerd. Ze steekt sinds een jaar of tien één dag in de week een hand toe. “Ik zag aankomen dat ik na mijn pensionering meer vrije tijd zou krijgen. Als je meehelpt, ga je je ook verantwoordelijk voelen voor het reilen en zeilen van de bibliotheek. Ik vind het prettig om hier een taak te hebben.”

Voor de oud-rechter in Den Haag is het leesmuseum een ‘vertrouwde plek’ geworden. “Er komen mensen met dezelfde belangstelling en er ontspinnen zich vaak interessante discussies over boeken en schrijvers. Zelf lees ik ‘to be amused’. Ik ben bijvoorbeeld dol op Margaret Forster. Ik vind hier altijd wel iets van mijn gading.”

Door de veelzijdigheid die het ledenbestand van het Damesleesmuseum inmiddels kenmerkt, is het niet doenlijk een reëel portret te schilderen van het gemiddelde lid. Mevrouw Crommelin: “Vroeger was het een instituut voor dames uit de bovenlaag van de maatschappij. Nog lang is het in Nederland een automatisme geweest dat vrouwen na hun trouwen, stopten met werken. Dat is gelukkig allemaal veranderd en dat komt ook tot uiting in ons ledenbestand. Er zijn nu bijvoorbeeld ook werkende vrouwen lid. Wij willen zelf ook graag van de deftigheid af en staan heel nadrukkelijk open voor leden uit alle lagen van de bevolking. Iedereen die zich aan de regels houdt kan lid worden, maar het zal altijd zo zijn dat alleen mensen die zich in deze sfeer thuis voelen, zullen blijven.”

Het clubsfeertje van het Damesleesmuseum

Het clubsfeertje van het Damesleesmuseum

Mevr. Van der Burcht van Lichtenbergh-van Eibergen Santhagens: ’t Is persoonlijker…

Wanneer je een boek wilt lezen dat je niet kunt of wilt aanschaffen, leen je het bij de bibliotheek. Maar als vrouw die leefde in het eind van de negentiende eeuw deed je dat niet. Toch hadden vrouwen toen ook belangstelling voor boeken.Oplossing: het Damesleesmuseum, een knusse bibliotheek voor dames. Niet opgeheven toen de ‘gewone’ bibliotheek gemeengoed werd. Want, toegegeven, het Haagse Danesleesmuseum heeft niet alle boeken, maar beslist wel meer sfeerdan de gemiddelde openbare bibliotheek.

Het idee voor het Damesleesmuseum is afkomstig van mevrouw De Dompierre de Chaufepie-Scherius. In 1894 ging het museum van start. Het huidige bestuurslid (tevens de bibliothecaresse) mevrouw G. H. Post Uiterweer-van Slooten legt uit hoe men aan het woord museum komt. „Toen gingen vrouwen nog niet naar de bibliotheek, maar ze wilden toch wat weten. Vandaar de naam museum: een plaats waar je ontwikkeling opdoet”.
Ontwikkeling moet niet al te ruim worden opgevat: „We hebben alleen belletrie, geen vakliteratuur. Maar de boeken die we willen opnemen, worden eerst gekeurd. Ze moeten een zekere literaire waarde hebben, niveau. Geen Bouquetreeks”.
Dat is de enige norm. Wolkers en Van het Reve staan ook in de kasten.

De gang van zaken in het leesmuseum is in feite gelijk aan die in een bibliotheek, behalve dan dat de dames zelf in een schrift opschrijven wat ze meenemen („Onze leden zijn zelfwerkzaam”). Je moet lid zijn, betaalt contributie en mag een boek slechts beperkte tijd in je bezit hebben. Eindeloos verlengen is er niet bij: de uitleentermijn is drie weken en die kan eenmaal met drie weken verlengd worden. In zes weken moet het boek dus uitgelezen zijn.

Keurcomité

Welke boeken opgenomen worden, wordt mede bepaald door de leden, die hun wensen kenbaar kunnen maken in ‘ het “wensenschrift”. Verder wordt iedere maand een aantal Haagse boekwinkels bezocht. Het zogenaamde keurcomité (in totaal ongeveer twintig dames) kijkt dan wat er aan nieuwe uitgaven is verschenen. „We mogen boeken meenemen op zicht. Op de maandelijkse vergadering van het keurcomité verdelen we die boeken. Een boek wordt door twee dames gelezen en als hun oordeel gelijk is, wordt het boek gekocht of teruggebracht. Is hun mening tegengesteld, dan leest een derde persoon het”.

In het Damesleesmuseum is literatuur te vinden in de Nederlandse, Engelse, Franse en Duitse taal. De eerste twee talen vertegenwoordigen het leeuwedeel van de boeken. „Er zijn nog een paar mensen hier die Frans lezen. Ik ben benieuwd hoe dat over een paar jaar is, nu Frans geen verplicht vak meer is. We nemen geen vertaald werk op, behalve wanneer het Russisch of Italiaans is”, verklaart mevrouw Post. Toch wordt daarmee wel eens dé hand gelicht. Het leesmuseum telt onder zijn leden een aantal leraressen Frans, die zeer pinnig reageerden toen werk van een „moeilijk schrijvende” Franse auteur in vertaalde versie werd opgenomen, vertelt een van de leden later.

„Dag jongens”

Het gesprek met de twee bestuursleden heeft plaats in de “huiskamer” van het Damesleesmuseum. Met gebloemde stof overtrokken fauteuiltjes, bankjes, staande schemerlampen, een rond tafeltje met een boeketje, een rijk bewerkt plafond, een marmeren haard met gaskachel en een kleed op de vloer bepalen de sfeer daar. Binnenkomehde dames worden —wellicht afhankelijk van niveau of de tijd dat ze lid zijn?— begroet met „Dag mevrouw”, of „Hallo Bep”. Zo’n laatste groet wordt beantwoord met „Dag jongens” en daarojp volgt de vraag of de bezoekster koffie wil.
„U ziet, het gaat allemaal heel huiselijk”, merkt mevrouw Post Uiterweer op. „Het is hier een ontmoetingspunt. Je mag alles eerst bekijken, uit de kast halen. Dat mag in de Koninklijke Bibliotheek niet. En iedereen praat hier gewoon, je hoeft niet te fluisteren”.
Bestuurslid mevrouw Van der Burcht van Lichtenbergh-van Eibergen Santhagens valt enthousiast in: „’t Is hier veel persoonlijker dan in een gewone bibliotheek. Heel vaak maak ik een praatje over boeken of schrijvers. Dat is heel leuk”.
Mevrouw Post vat samen: „’t Is echt het clubidee”. Dat woord geeft inderdaad het sfeertje op de eerste verdieping van nummer 15 aan het Haagse Nassauplein goed weer. De buitendeur is weliswaar niet op slot, maar binnen moet je op een bel drukken voor je verder kunt. Niet iedereen kan zomaar lid worden van het Haagse leesclubje.
„Nieuwe leden moeten geïntroduceerd worden door twee of drie anderen. Dat doen we omdat we bij voorbeeld willen weten of de mensen wel netjes zijn op de boeken, ’t Is eigen werk hier, we krijgen geen subsidie”. Het huis waarin het museum is gevestigd is eigendom van de “Vereniging Het Damesleesmuseum”. Een deel ervan wordt verhuurd. De inkomsten daaruit en uit de contributie worden aan boeken besteed. „Iedereen werkt pro deo, behalve de werkster en de glazenwasser. We zijn alleen donderdag, vrijdag en zaterdag open: voor de hele week krijg je geen vrijwilligers bij elkaar. Dat zouden we wel graag willen “. *gM Het museum telt een dikke driehonderd leden, die afkomstig zijn uit Den Haag, Wassenaar, Voorburg en omstreken. „Vroeger hadden we ook buitenleden aan wie we boeken opstuurden. Maar dat werd zo craint duur”, laat mevrouw Post zich ontvallen.

De leden hoeven niet per se dames van ‘niveau’ zijn. Als ze maar geïnteresseerd zijn in boeken. „Lezen, ik zou er niet buiten kunnen”, verzucht mevrouw Post. „Het verwijdt je horizon”, beaamt mevrouw Van der Burcht van Lichtenbergh. „Ik heb de indruk dat de mensen die hier lid zijn, graag lezen”.
Dat lijkt mij met met leden van een openbare bibliotheek ook het geval, maar volgens mevrouw Van der Burcht is er verschil. „Van een bibliotheek ben je lid omdat de kinderen voor school boeken nodig hebben, je haalt er kinderboeken, enzovoorts. Boeken zijn zo duur, je hebt je lidmaatschap er zo uit”.

De gemiddelde leeftijd van de leden is „middelbaar. Het begint met dikke dertigers en gaat tot tachtigers. Die vinden het gezellig, komen gewoon lekker even hier zitten”. De contributie voor het Damesleesmuseum, bij oprichting 5 gulden plus 1 gulden entree, bedraagt voor het jaar 1989 65 gulden. Ergens op een papier staat vermeld dat jeugdleden maar 40 gulden hoeven te betalen. Ik vraag aan een lid of daarmee mensen onder de 18 jaar worden bedoeld. Dat weet zij niet. Later lees ik in het jaarverslag dat leden tot en met 30 jaar vier tientjes betalen. Kennelijk zijn dat de jeugdleden.

Terwijl de twee bestuursdames in.lichtingen verstrekken over de gang van zaken in het museum, scharen de overige aanwezigen zich rond een tafel. „O, het is nu verloting!”, kondigt mevrouw Post Uiterweer aan. Ze zou er graag even bij zijn, maar dat gaat niet. Daarom stelt ze zich tevreden met het geven van een korte verklaring. „Op de dag dat er nieuwe boeken zijn, trekken we lootjes. Wie nummer één heeft, mag het eerst kiezen, daarna nummer twee, enzovoorts”. Even later vraagt ze een passerende dame: „Welk nummer had u?” „Eén!”, meldt de aangesprokene opgetogen en ze laat zien wat ze gekozen heeft.
„Ik kijk altijd even wat het eerste weggaat, welke boeken ze leuk vinden”, laat mevrouw Van der Burcht weten.

In de boekenzaal is ook een leestafel. Daar liggen tijdschriften als Elsevier, Paris-Match, Woman’s own, Newsweek, maar ook gewoon Grasduinen, Vorsten en VT-wonen. „Eerst hadden we hier ook literaire tijdschriften liggen”, vertelt een dame, „maar die keek men weinig in. Vorsten en de natuurbladen gaan heel goed”.

Sociale functie

Het ledental van het museum groeit gestaag. In de tijd dat de tv opkwam ebde het aantal af, maar nu is dat beter. De eveneens voortgaande uitbreiding van het aantal boeken baart het bestuur soms wel zorgen. „De oudste boeken, van het begin, hebben we ook nog. Die staan beneden, in bruin kaftpapier, achter slot ,in het donker. Op verzoek kan men de sleutel krijgen. We hebben geen boeken weggedaan, maar we komen zo langzamerhand wel in de ruimteproblemen”.
De boeken kunnen uitsluitend langs de wand staan, niet in rijen dwars op de muur: „Dat kan de vloer niet hebben. Beneden kan het wel”.

Inmiddels bezit het leesmuseum zo’n 28.000 boeken. De meeste daarvan zijn gekocht. „Wat men geeft hebben we vaak al. Hooguit is het een nieuwer exemplaar dan dat wat we hebben”. In de ruimten met oude boeken ruikt het muf, maar dat draagt juist bij tot de sfeer, „’t Was vroeger echt een club”, vertelt de mevrouw die de gesloten deuren voor me opent. „Je bracht hier een deel van je dag door. Er werden toen ook lezingen gehouden: daaruit blijkt ook de sociale functie van het leesmuseum. Nu is dat al lang niet rrieer zo; je kunt in Den Haag elke avond wel ergens heen”.