Archief van
Tag: wensenschrift

Het clubsfeertje van het Damesleesmuseum

Het clubsfeertje van het Damesleesmuseum

Mevr. Van der Burcht van Lichtenbergh-van Eibergen Santhagens: ’t Is persoonlijker…

Wanneer je een boek wilt lezen dat je niet kunt of wilt aanschaffen, leen je het bij de bibliotheek. Maar als vrouw die leefde in het eind van de negentiende eeuw deed je dat niet. Toch hadden vrouwen toen ook belangstelling voor boeken.Oplossing: het Damesleesmuseum, een knusse bibliotheek voor dames. Niet opgeheven toen de ‘gewone’ bibliotheek gemeengoed werd. Want, toegegeven, het Haagse Danesleesmuseum heeft niet alle boeken, maar beslist wel meer sfeerdan de gemiddelde openbare bibliotheek.

Het idee voor het Damesleesmuseum is afkomstig van mevrouw De Dompierre de Chaufepie-Scherius. In 1894 ging het museum van start. Het huidige bestuurslid (tevens de bibliothecaresse) mevrouw G. H. Post Uiterweer-van Slooten legt uit hoe men aan het woord museum komt. „Toen gingen vrouwen nog niet naar de bibliotheek, maar ze wilden toch wat weten. Vandaar de naam museum: een plaats waar je ontwikkeling opdoet”.
Ontwikkeling moet niet al te ruim worden opgevat: „We hebben alleen belletrie, geen vakliteratuur. Maar de boeken die we willen opnemen, worden eerst gekeurd. Ze moeten een zekere literaire waarde hebben, niveau. Geen Bouquetreeks”.
Dat is de enige norm. Wolkers en Van het Reve staan ook in de kasten.

De gang van zaken in het leesmuseum is in feite gelijk aan die in een bibliotheek, behalve dan dat de dames zelf in een schrift opschrijven wat ze meenemen („Onze leden zijn zelfwerkzaam”). Je moet lid zijn, betaalt contributie en mag een boek slechts beperkte tijd in je bezit hebben. Eindeloos verlengen is er niet bij: de uitleentermijn is drie weken en die kan eenmaal met drie weken verlengd worden. In zes weken moet het boek dus uitgelezen zijn.

Keurcomité

Welke boeken opgenomen worden, wordt mede bepaald door de leden, die hun wensen kenbaar kunnen maken in ‘ het “wensenschrift”. Verder wordt iedere maand een aantal Haagse boekwinkels bezocht. Het zogenaamde keurcomité (in totaal ongeveer twintig dames) kijkt dan wat er aan nieuwe uitgaven is verschenen. „We mogen boeken meenemen op zicht. Op de maandelijkse vergadering van het keurcomité verdelen we die boeken. Een boek wordt door twee dames gelezen en als hun oordeel gelijk is, wordt het boek gekocht of teruggebracht. Is hun mening tegengesteld, dan leest een derde persoon het”.

In het Damesleesmuseum is literatuur te vinden in de Nederlandse, Engelse, Franse en Duitse taal. De eerste twee talen vertegenwoordigen het leeuwedeel van de boeken. „Er zijn nog een paar mensen hier die Frans lezen. Ik ben benieuwd hoe dat over een paar jaar is, nu Frans geen verplicht vak meer is. We nemen geen vertaald werk op, behalve wanneer het Russisch of Italiaans is”, verklaart mevrouw Post. Toch wordt daarmee wel eens dé hand gelicht. Het leesmuseum telt onder zijn leden een aantal leraressen Frans, die zeer pinnig reageerden toen werk van een „moeilijk schrijvende” Franse auteur in vertaalde versie werd opgenomen, vertelt een van de leden later.

„Dag jongens”

Het gesprek met de twee bestuursleden heeft plaats in de “huiskamer” van het Damesleesmuseum. Met gebloemde stof overtrokken fauteuiltjes, bankjes, staande schemerlampen, een rond tafeltje met een boeketje, een rijk bewerkt plafond, een marmeren haard met gaskachel en een kleed op de vloer bepalen de sfeer daar. Binnenkomehde dames worden —wellicht afhankelijk van niveau of de tijd dat ze lid zijn?— begroet met „Dag mevrouw”, of „Hallo Bep”. Zo’n laatste groet wordt beantwoord met „Dag jongens” en daarojp volgt de vraag of de bezoekster koffie wil.
„U ziet, het gaat allemaal heel huiselijk”, merkt mevrouw Post Uiterweer op. „Het is hier een ontmoetingspunt. Je mag alles eerst bekijken, uit de kast halen. Dat mag in de Koninklijke Bibliotheek niet. En iedereen praat hier gewoon, je hoeft niet te fluisteren”.
Bestuurslid mevrouw Van der Burcht van Lichtenbergh-van Eibergen Santhagens valt enthousiast in: „’t Is hier veel persoonlijker dan in een gewone bibliotheek. Heel vaak maak ik een praatje over boeken of schrijvers. Dat is heel leuk”.
Mevrouw Post vat samen: „’t Is echt het clubidee”. Dat woord geeft inderdaad het sfeertje op de eerste verdieping van nummer 15 aan het Haagse Nassauplein goed weer. De buitendeur is weliswaar niet op slot, maar binnen moet je op een bel drukken voor je verder kunt. Niet iedereen kan zomaar lid worden van het Haagse leesclubje.
„Nieuwe leden moeten geïntroduceerd worden door twee of drie anderen. Dat doen we omdat we bij voorbeeld willen weten of de mensen wel netjes zijn op de boeken, ’t Is eigen werk hier, we krijgen geen subsidie”. Het huis waarin het museum is gevestigd is eigendom van de “Vereniging Het Damesleesmuseum”. Een deel ervan wordt verhuurd. De inkomsten daaruit en uit de contributie worden aan boeken besteed. „Iedereen werkt pro deo, behalve de werkster en de glazenwasser. We zijn alleen donderdag, vrijdag en zaterdag open: voor de hele week krijg je geen vrijwilligers bij elkaar. Dat zouden we wel graag willen “. *gM Het museum telt een dikke driehonderd leden, die afkomstig zijn uit Den Haag, Wassenaar, Voorburg en omstreken. „Vroeger hadden we ook buitenleden aan wie we boeken opstuurden. Maar dat werd zo craint duur”, laat mevrouw Post zich ontvallen.

De leden hoeven niet per se dames van ‘niveau’ zijn. Als ze maar geïnteresseerd zijn in boeken. „Lezen, ik zou er niet buiten kunnen”, verzucht mevrouw Post. „Het verwijdt je horizon”, beaamt mevrouw Van der Burcht van Lichtenbergh. „Ik heb de indruk dat de mensen die hier lid zijn, graag lezen”.
Dat lijkt mij met met leden van een openbare bibliotheek ook het geval, maar volgens mevrouw Van der Burcht is er verschil. „Van een bibliotheek ben je lid omdat de kinderen voor school boeken nodig hebben, je haalt er kinderboeken, enzovoorts. Boeken zijn zo duur, je hebt je lidmaatschap er zo uit”.

De gemiddelde leeftijd van de leden is „middelbaar. Het begint met dikke dertigers en gaat tot tachtigers. Die vinden het gezellig, komen gewoon lekker even hier zitten”. De contributie voor het Damesleesmuseum, bij oprichting 5 gulden plus 1 gulden entree, bedraagt voor het jaar 1989 65 gulden. Ergens op een papier staat vermeld dat jeugdleden maar 40 gulden hoeven te betalen. Ik vraag aan een lid of daarmee mensen onder de 18 jaar worden bedoeld. Dat weet zij niet. Later lees ik in het jaarverslag dat leden tot en met 30 jaar vier tientjes betalen. Kennelijk zijn dat de jeugdleden.

Terwijl de twee bestuursdames in.lichtingen verstrekken over de gang van zaken in het museum, scharen de overige aanwezigen zich rond een tafel. „O, het is nu verloting!”, kondigt mevrouw Post Uiterweer aan. Ze zou er graag even bij zijn, maar dat gaat niet. Daarom stelt ze zich tevreden met het geven van een korte verklaring. „Op de dag dat er nieuwe boeken zijn, trekken we lootjes. Wie nummer één heeft, mag het eerst kiezen, daarna nummer twee, enzovoorts”. Even later vraagt ze een passerende dame: „Welk nummer had u?” „Eén!”, meldt de aangesprokene opgetogen en ze laat zien wat ze gekozen heeft.
„Ik kijk altijd even wat het eerste weggaat, welke boeken ze leuk vinden”, laat mevrouw Van der Burcht weten.

In de boekenzaal is ook een leestafel. Daar liggen tijdschriften als Elsevier, Paris-Match, Woman’s own, Newsweek, maar ook gewoon Grasduinen, Vorsten en VT-wonen. „Eerst hadden we hier ook literaire tijdschriften liggen”, vertelt een dame, „maar die keek men weinig in. Vorsten en de natuurbladen gaan heel goed”.

Sociale functie

Het ledental van het museum groeit gestaag. In de tijd dat de tv opkwam ebde het aantal af, maar nu is dat beter. De eveneens voortgaande uitbreiding van het aantal boeken baart het bestuur soms wel zorgen. „De oudste boeken, van het begin, hebben we ook nog. Die staan beneden, in bruin kaftpapier, achter slot ,in het donker. Op verzoek kan men de sleutel krijgen. We hebben geen boeken weggedaan, maar we komen zo langzamerhand wel in de ruimteproblemen”.
De boeken kunnen uitsluitend langs de wand staan, niet in rijen dwars op de muur: „Dat kan de vloer niet hebben. Beneden kan het wel”.

Inmiddels bezit het leesmuseum zo’n 28.000 boeken. De meeste daarvan zijn gekocht. „Wat men geeft hebben we vaak al. Hooguit is het een nieuwer exemplaar dan dat wat we hebben”. In de ruimten met oude boeken ruikt het muf, maar dat draagt juist bij tot de sfeer, „’t Was vroeger echt een club”, vertelt de mevrouw die de gesloten deuren voor me opent. „Je bracht hier een deel van je dag door. Er werden toen ook lezingen gehouden: daaruit blijkt ook de sociale functie van het leesmuseum. Nu is dat al lang niet rrieer zo; je kunt in Den Haag elke avond wel ergens heen”.